In de herfst is het altijd nat en koud,
In het land, waar ik van houd.
Altijd maar natgeregend,
Door het gure weer,
Via allerlei kronkelwegen,
Begeef ik keer op keer,
Op verafgelegen tussenwegen,
Door dit hondenweer.
In de winter is het ijskoud en altijd fris,
En als ik mij niet vergis,
Het meest gehate jaargetijde,
Wanneer die dikke laag witte sneeuw,
Zich over mijn land doet verspreiden.
In de lente is het altijd goed te doen,
Het zonnetje komt er aan,
Ook wel genoemd het tussenseizoen,
Vanwege het ultieme gevoel,
Niet te koud en niet te warm,
Emoties als een rollercoaster,
Melodieus door het strijdgewoel,
Op ieder zijn eigen ritmegevoel.
In de zomer is het altijd te warm en klam,
Geen wind, geen regen of juist teveel,
De temperatuur hoog, heel hoog,
Als een voortdurende hoogstaande waakvlam.
En grond gortdroog,
Maar…
Zonder enige oponthoud,
Ben ik zeer getrouw,
En met volle longinhoud,
Durf ik te stellen dat ik leef,
In het land waar ik van houd!







