
schu·ren schuurde, h geschuurd door wrijven (met scherp poeder of met een ruw oppervlak) gladmaken.
Het werkwoord ‘schuren’, dat is wat we vandaag gedaan hebben. We hebben kozijnen geschuurd, muren geschuurd, weer kozijnen geschuurd en nog meer muren geschuurd. Schuur, schuur schuur! Ik schuur, jij schuurt, wij schuren. Pfff, alsof je een nieuw werkwoord in een vreemde taal moet leren kennen. Alle vervoegingen, de toekomstige tijd, de verleden tijd, en ga zo maar door. Maar goed, vandaag hebben we dus ‘lekker’ geschuurd. Dat is één ding wat zeker is…
Daarnaast hebben we (in het team van 4: Lies, Sas, Mir en ikzelf) al het overige behang, wat er nog niet afgestript was gisteren, afgehaald. Dus nu hebben we op de eerste verdieping alles leeg en klaar. Op naar de volgende stap: behangen! Zojuist net vernomen dat dit een combinatie van B&T wordt – snel, tot in de puntjes perfect en voila!
Zo langzamerhand komt er schot in (haha!), maar het vervelende is bijna klaar. Nu kunnen we straks gaan schilderen!
Toedels!