
rust de; v(m)
1 toestand die intreedt bij het ophouden van vermoeienis of inspanning: tot ~ komen; iem met ~ laten niet storen
2 slaap
3 stilte
4 -en (muz, sp) pa
rus·te·loos bn, bw; -lozer, -t
1 voortdurend in beweging, bezig
2 innerlijk zonder rust
loos bn, bw; lozer, -t
1 schijnbaar, niet echt: ~ alarm
2 alleen voor de vorm, voor het uiterlijk aangebracht: een loze deur; loze beloften
En zo zat ik gister te staren in mijn bureaustoel naar het computerscherm om vervolgens mijzelf op te tillen en neer te vlijen op de bank om daarna te constateren dat de TV show die ik keek daar ook op zeer comfortabele wijze vervolgd kon worden.
Ik was in rust, maar bezat toch enige rusteloosheid, en de VanDale (zie boven) geeft aan dat deze twee haaks op elkaar slaan. Na lange tijd van rust (lees: slaap, als in de slapende blogger) keer ik terug in de vorm van een rusteloze (lees: bezige) blogger. Voortdurend in beweging met woorden, gedachten, emoties en herinneringen. Toekomstplanning, spelling, taalkunde, “Zal ik nu daar een ik of een mij gebruiken?”
Het innerlijk wat ooit zo rustig was, in een toestand die intreedt bij het ophouden van een vermoeienis of inspanning, slapende, was rust-e-loos. Het was allemaal schijn (lees VanDale: ‘loos’), alleen voor de vorm, voor het uiterlijk aangebracht. Van binnen, innerlijk, woede een storm aan woorden, was ik constant bezig om naar buiten te treden via pen en papier, of in de moderne tijd via toetsenbord en pc.
Nu ben ik terug. Oja, terug naar de TV Show, ondertussen seizoen 2… Deze kijk ik in alle rust verder, in stilte, slapende, in een toestand die intreedt bij het ophouden van een vermoeienis.
Rusteloos wordt rustig, in rust…